want want omdat want omdat omdat omdat omdat want want
1
.
Ik
leer
Nederlands
,
Nederlands
leuk
is
.
2
.
Ik
leer
Nederlands
,
Nederlands
is
leuk
.
3
.
Ik
ga
naar
school
,
ik
veel
moet
leren
.
4
.
Ik
drink
water
,
ik
heb
dorst
.
5
.
Ik
ga
naar
school
,
ik
moet
veel
leren
.
6
.
Ik
drink
water
,
ik
dorst
heb
.
7
.
Ik
ga
naar
bed
,
ik
moe
ben
.
8
.
Ik
ga
naar
bed
,
ik
ben
moe
.
9
.
Ik
ga
wandelen
,
het
is
mooi
weer
.
10
.
Ik
ga
wandelen
,
het
mooi
weer
is
.