Elke
week
gaan
wij
zwe
.
.
.
en
.
(
m
/
mm
)
Mama
drinkt
heel
veel
ko
.
.
.
ie
.
(
f
/
ff
)
In
de
tu
.
.
.
el
rijden
veel
auto's
.
(
n
/
nn
)
Thuis
heb
ik
twee
goudvi
.
.
.
en
.
(
s
/
ss
)
Heb
jij
het
nu
.
.
.
er
van
Pieter
?
(
m
/
mm
)
Jelle
is
een
verle
.
.
.
en
jongen
.
(
g
/
gg
)
Je
liet
me
schri
.
.
.
en
.
(
k
/
kk
)
Mieke
is
een
da
.
.
.
er
meisje
.
(
p
/
pp
)
De
bijen
maken
ho
.
.
.
ing
.
(
n
/
nn
)
In
de
badkamer
ruikt
het
le
.
.
.
er
fris
.
(
k
/
kk
)