1
Ik (werken) aan mijn werkwoordspelling.
2
Wij (spelen) met zijn zusje.
3
Mijn moeder (koken) gisteravond mijn lievelingseten.
4
Vorige week (missen) ik mijn toets, omdat ik ziek was.
5
De studenten (vervelen) zich.
6
Het eten (smaken) lekker.
7
Vorige week (willen) wij met zijn allen naar de kermis.
8
Mijn hond (blaffen) naar de buurjongen
9
We (hoeven) niet ver te lopen.
10
Mijn broertje (lusten) zijn eten niet.
7
4
8
10
5
9
1
2