De factuurOnline version Begrippen over de factuur. by Michiels Annick 1 Wie maakt de factuur op? a koper b verkoper 2 Leg uit: de maatstaf van heffing a De maatstaf waarop de prijs is gebaseerd. b Het bedrag dat naar de overheid gaat. c Het nettobedrag van de factuur. d Het bedrag waarop de BTW wordt berekend. 3 Wat betekent het woord "vervaldag"? a De dag waarop de factuur wordt opgemaakt. b De dag waarop de goederen geleverd worden. c De uiterste betaaldatum d De dag waarop de schuld verdwijnt. 4 Om succesvol zaken te doen moet men onder andere ervoor zorgen dat: a Het bedrag van de verkoopfacturen hoger ligt dan van de aankoopfacturen. b Het bedrag van de aankoopfacturen hoger ligt dan van de verkoopfacturen. 5 Aan wie betaalt de klant de BTW op zijn aankopen? a de staat b de verkoper 6 Wanneer wordt een handelskorting toegestaan? a Bij grote bestellingen b Wanneer contant betaald wordt 7 Duid de juiste BTW-tarieven aan. a 6 % - 12 % - 21 % b 6 % - 11 % - 19 % c 0 % - 6 % - 12 % - 21 % 8 Hoe lang moet een bedrijf zijn facturen bewaren? a 7 dagen na betaling. b 7 weken c 7 maanden d 7 jaren 9 Wat komt eerst in het berekeningsschema van de factuur? a Handelskorting, bedrag van de goederen, kosten, BTW b bedrag van de goederen, handelskorting, BTW, kosten c bedrag van de goederen, kosten, handelskorting, BTW d bedrag van de goederen, handelskorting, kosten, BTW 10 Waarvoor dient een refertestempel? a Om omslagen af te stempelen. b Om een datum op de factuur te plaatsen. c Om een volgnummer op een aankoopfactuur te plaatsen.